Die zute Tute

En as hja yn de poede seach, 
Dan wieren d’r reade kjessen yn.
Und als sie in die Tüte sah,
Da waren rote Kirschen drin.
Dan makke hja de poede ticht,
Dan wier de poede ticht,
Da war die TUTE zu.

 
Kurt Schwitters (Hannover, 20 juni 1887 - Kendal (Verenigd Koninkrijk), 8 januari 1948) was een Duits kunstschilder, typograaf, publicist en dichter, die beroemd werd met zijn collages, zijn klankgedichten en als bedenker van Merz. Na het gymnasium te hebben verlaten volgde hij een opleiding aan de kunstacademie in Dresden. Hij was vanaf 1907 actief als kunstschilder en maakte toen impressionistische schilderijen. Rond 1917 sloot hij zich aan bij de expressionisten. In 1918 zocht hij aansluiting bij 'Club Dada', een Berlijns groepje dadaïsten bestaande uit Johannes Baader, Raoul Hausmann en Richard Hülsenbeck, maar wordt door de laatste geweigerd. Wel knoopte hij contacten aan met Raoul Hausmann, met wie hij een soort 'vogeltaal' ontwikkelde, die hij gezeten in een boom in zijn voortuin in Hannover aan bezoekers voordroeg. Ook zocht hij Georg Grosz op door domweg bij hem aan te bellen. Hans Richter tekende in 1964 het gesprek, dat tussen hen plaats gehad zou hebben, op. Schwitters stelde zichzelf voor door te zeggen: "Goedemorgen, Herr Grosz, mijn naam is Schwitters", waarop Grosz hem antwoordde: "Ik ben niet Grosz" en de deur dichtsmeet. Schwitters belde nog een tweede keer aan en antwoordde hem: "Ik ben ook Schwitters niet"...
Kurt Schwitters werd door Theo van Doesburg geïntroduceerd bij de gebroeders Rinsema uit Drachten. Hij raakte bevriend met de broers. In april 1923 verzorgt Kurt Schwitters een Dada-avond in Hotel de Phoenix in Drachten. Dit contact met de gebroeders Rinsema verklaart het gebruik van de Friese woorden in het gedicht.